Zijn grote leiders nog wel van deze tijd?

    0
    174

    Leestijd: 4 minuten.

    Helmut Kohl werd in een speciale eredienst in Straatsburg uitgeluid als groot staatsman en groot Europeaan. Het was een eerbetoon dat vooral in teken stond van de nostalgie.

    De kanselier van de eenheid was de laatste grote leider van zijn generatie. Hij gaat collega’s als Ronald Reagan, Willy Brandt, Margaret Thatcher, Helmut Schmidt, Nelson Mandela en, vooruit, François Mitterrand gezelschap houden in het hiernamaals. Als ze vanuit hun loge een blik werpen op het gekrioel en gewurm op het ondermaanse, houden ze waarschijnlijk hun hart vast. Het ziet er niet goed uit en er is, op Angela Merkel na, niemand aan wie zij de winkel hadden toevertrouwd. Je hoeft alleen maar naar het tableau , – wie staat daar tussen Poetin en Trump? -, van de G20 dit weekend in Hamburg te kijken om hun zorgen te begrijpen.

    In bijna alle grote democratieën is het treurnis troef. Over Donald Trump hoeven het niet eens te hebben, maar in het VK houdt het ook niet over. David Cameron, de Conservatieve premier die met ongekende lichtvaardigheid het Brexit-referendum uit schreef, zou volgens de serieuze Britse pers de slechtste minister-president ooit zijn. Hij heeft nu concurrentie gekregen van zijn opvolgster Theresa May die er bij de verkiezingen van vorige maand in slaagde een gewonnen koers toch te verliezen.

    In Frankrijk hebben ze afscheid genomen van hun slechtste president ooit, François Hollande, en hopen ze nu dat Emmanuel Macron zijn van grandeur walmende ambitie weet om te zetten in prozaïsche maar broodnodige hervormingen van de economie en het politieke bestel. En in Italië duikt opeens weer Silvio Berlusconi op, hopend dat de  kiezers zo kort van memorie zijn dat ze de schouders ophalen over de schandalen die op zijn minst van het kaliber van die van Trump waren.

    De problemen die zij het hoofd moeten bieden lijken hun krachten ver te boven te gaan. Een kleine greep: klimaatverandering en energietransitie, de digitale revolutie en de consequenties voor de economie en werkgelegenheid, en dichter bij huis, vluchtelingenstromen, jihadisme en regionale hoofdpijndossiers als Rusland en Oekraïne, Chinese ambities in Oost-Azië en de nucleaire plannen van Kim Jong-un.

    Daar zouden zelfs de grote kampioenen van weleer hun handen aan vol hebben gehad.

    De al jaren knellende vraag is: hoe komt het dat democratieën nauwelijks politici van formaat, laat staan staatslieden (m/v) voortbrengen?

    Ligt het aan de aard van de moderne politiek, zoeken potentiële leiders meer dan vroeger emplooi in het bedrijfsleven of is het een combinatie van beide?

    Het cliché wil dat we de leiders krijgen die we verdienen. Trump, Cameron, May, Rutte en co zouden de producten zijn van een samenleving die oppervlakkig, hedonistisch en gemakzuchtig is. De Toppers in plaats van Shakespeare en Goethe. Ze zijn anders dan de Laatste Grote Leiders niet gehard in (wereld)oorlogen, grote ontberingen en economische depressies. Ze groeiden op in de “gouden jaren” na de Tweede Wereldoorlog,  verwend met de verzorgingsstaat en de geopolitieke stabiliteit van de Koude Oorlog. Mooie tijd, stukken beter dan wat er aan vooraf ging, maar kennelijk niet het juiste klimaat voor het kweken van groot politiek talent.

    Het is een verklaring waar ongetwijfeld iets in zit maar wel met de kanttekening dat cultuurpessimisten steevast ontevreden zijn over de oogst van hun tijd. Dat ze niet altijd gelijk hebben, behoeft natuurlijk geen nader betoog. Wie weet ontpopt Macron zich wel als staatsman, alle gerechtvaardigde scepsis ten spijt, en is zijn beweging, la République en marche, de voorbode van een betere toekomst.

    En de lokroep van het bedrijfsleven? De nieuwe industriële revolutie is de ideale proeftuin voor mensen met ideeën, ambitie en drive. Als Steve Jobs niet Apple had groot gemaakt maar in de politiek was gegaan, zou hij daar vermoedelijk ook een uitzonderlijk leider, ongetwijfeld met tirannieke trekjes, zijn geweest. Alleen, hij wist dat zijn talent bij Apple beter tot zijn recht kwam. Kon hij doen wat hij wilde zonder slappe compromissen te sluiten en rekening te houden met bureaucraten en minkukels. Dat geldt ongetwijfeld ook voor collega-ondernemers als Bill Gates en in andere sectoren ceo’s als Paul Polman van Unilever die met zijn klimaatvriendelijke strategie het verschil denkt te kunnen maken (zolang het de aandeelhouders geen pijn in de portemonnee doet).

    Wat ook de oorzaken zijn, vraag is, wat kan er aan gedaan worden. Hoe krijgt de kiezer weer vertrouwen in de politiek?

    Als de opmars van het populisme een ding heeft duidelijk gemaakt is dat hij oplossingen wil zien voor zijn problemen en dat hij serieus wordt genomen. Hij is misschien geen staatsburger volgens het boekje die volop betrokken wil zijn bij het besluitvormingsproces, te ver van zijn bed, maar hij laat zich meestal geen knollen voor citroenen verkopen. Dus niet meer: 1000 euro voor iedereen, en geen cent meer naar de Grieken, maar wel: hoe maken en houden we mijn buurt, dorp, stad en land leefbaar. De politicus die dat beseft en daar naar handelt, is uiteraard nog geen Churchill, maar in elk geval op de goede weg.

    DELEN
    Vorig artikelSchuivende panelen
    Volgend artikelDag 111