Dag 198

    0
    359

    Leestijd: 2 minuten.

    Dat het nieuwe kabinet een stuk groter wordt dan het huidige en het vorige was al bekend. Rutte I had 12 ministers en Rutte II 13 (na het aftreden van de niet vervangen Ard van der Steur ook nog maar 12). Maar die kabinetten bestonden uit twee partijen, respectievelijk VVD en CDA en VVD en PvdA. Rutte III zal vier partijen tellen. Iedereen kan op zijn vingers uitrekenen dat er dan meer bewindslieden nodig zijn, anders kom je nooit uit met ‘het plaatje’.

    Dus dat we van 13 naar 16 ministersposten zouden gaan, wisten we al. Daarvan zijn er zes voor de VVD, vier voor CDA en D66 en twee voor kleine broer ChristenUnie. Het AD heeft inmiddels achterhaald dat er ook nog eens negen staatssecretarissen zullen komen, twee meer dan in Rutte II. De verdeling ziet er volgens de krant als volgt uit: vier voor de VVD, twee voor CDA en D66 en één voor de ChristenUnie.

    Daarmee, zo constateert het AD terecht, kunnen de praatjes van Mark Rutte over de noodzaak van een ‘kleine en krachtige overheid’ de prullenmand in. De premier en VVD-leider zei eerder dat bewindslieden ‘het net iets te druk’ moeten hebben, anders gaan ze ‘werk zoeken om hun salaris te rechtvaardigen’.

    Dat is de redenering van een manager van een bedrijf. Vanuit diens logica is het inderdaad onzin om meer bewindspersonen aan te stellen dan strikt noodzakelijk. Het is uit doelmatigheidsoogpunt ook flauwekul om met vier partijen te gaan regeren in plaats van met twee. Nog efficiënter zou het zijn als het kabinet slechts op één partij rustte. Dán kon je pas knopen doorhakken.

    Helaas moeten kabinetten over voldoende draagvlak in het parlement beschikken, anders zitten ze niet lang. En als er vier partijen nodig zijn voor een meerderheid, stijgt vrijwel automatisch het aantal ‘poppetjes’ dat beëdigd dient te worden. Elke partij wil voldoende eigen gezichten om zich te kunnen profileren.

    Met de vrees dat al die bewindslieden zich straks gaan vervelen, die volgens het AD leeft bij ‘bronnen rond de formatie’, zou het overigens best nog mee kunnen vallen. Als je terug kijkt naar de afgelopen kabinetsperiode, krijg je niet de indruk dat de meeste ministers en staatssecretarissen te weinig om handen hadden. Een aantal moest zelfs aftreden omdat ze het werk niet aan bleken te kunnen. Denk maar eens aan Frans Weekers, Wilma Mansveld, Ivo Opstelten en Ard van der Steur. Op de valreep komt misschien ook Jeanine Hennis nog in problemen omdat het haar bij Defensie over de schoenen liep. Zij zal sinds de verschijning van het meedogenloze rapport van de Onderzoeksraad voor Veiligheid gisteren wel denken: “Had ik maar een staatssecretaris gehad die ik de schuld kon geven.”