De hoge kunst van het peilen

    0
    1255

    Leestijd: 2 minuten.

    De peilingen vliegen ons om de oren, vandaag TNS NIPO en IPSOS op één dag, minder dan een week voor de verkiezingen. Bij beide staat de VVD op 26, bij NIPO de PVV op 24 en bij IPSOS op 23. Oké, allemaal binnen de foutmarge.

    Maar dan komt het, NIPO zet het CDA op 17 en IPSOS op 21. NIPO zet D66 op 21 en IPSOS op 17. Dit stuivertje wisselen is niet zonder belang, het kan betekenen dat het volgende kabinet over links of over rechts gaat. Het onderscheid tussen beide peilingen is wel erg groot. De enige conclusie moet dan ook zijn dat één van beide of wellicht zelfs allebei hun respondenten niet op orde hebben. Een steekproef is alleen relevant als er sprake is van zeer gevarieerde respondenten en liefst veel meer dan een paar duizend per steekproef en hier laten de opiniepeilers het vaak zakken.

    Er moet een goede mix zijn van stedelingen, het platteland, mannen, vrouwen, inkomensgroepen, ouderen, jongeren en ga zo maar door. Een groot aantal peilers benadert zijn respondenten via internet, mensen zonder, en die zijn er echt nog, tellen dus niet mee. Sommige peilers werken met respondenten die zichzelf aanmelden en dus vaak te “eager” zijn, anderen benaderen kiezers zelf. Maar die kunnen een weerzin hebben tegen peilingen of maar wat invullen. Of ze schamen zich voor hun werkelijke keuze en vullen wat anders in. Of ze zijn overtuigde niet-stemmers.

    Vaak wordt gewerkt met een “rolling block”,  een steeds wisselend aantal respondenten uit een bestand van zeg 50.000.  Maar hoe vaak ververs je en welk deel van de ondervraagden van de ene week hou je in de andere.

    En vaak gaan uitkomsten van te beperkt gehouden peilingen een eigen leven leiden, ze worden als richtinggevend gepresenteerd terwijl ze dat in feite niet zijn.

    Accuratere peilingen kunnen worden gehouden als er tienduizenden respondenten tegelijk at random uit alle lagen van de bevolking en uit alle gebieden in Nederland worden geraadpleegd, en dan nog heb je de waan van de dag.

    En zo kan het gebeuren dat vandaag CDA-leider Buma zich zo gesterkt voelt in de peilingen dat hij zichzelf premierwaardig acht, terwijl die rol even later in een andere peiling voor D66-leider Pechtold is weggelegd.

    Hebben we dan helemaal niets aan die peilingen? Natuurlijk wel, er is altijd zoiets als een gemiddelde, zoals de Peilingwijzer van de NOS. Als we daar ook nog een onzekerheidsmarge van een paar procent aan toevoegen, moet je toch in de buurt komen van de uiteindelijke uitkomst, last minute gamechangers ter zijde.

    Eén ding lijkt zeker, het “premiersdebat” tussen Rutte en Wilders lijkt vergeefse moeite, Wilders wordt toch geen premier en Rutte wordt nu bedreigd door Pechtold of Buma. Daarmee ligt de vraag nog altijd open of we over links of rechts gaan, iets waar de kiezers op 15 maart duidelijkheid moeten geven. Helaas ligt het antwoord op die vraag op dit moment binnen de foutenmarge.

    Met de verkiezing van Trump in de VS moesten de opiniepeilers al door het stof, ik ben wel benieuwd wie er uiteindelijk in ons land het dichtst bij de uiteindelijke uitkomst zit. Die mag patent aanvragen op zijn onderzoeksmethode.