Dijsselbloem spreekt opeens met een andere mond

    0
    191

    Leestijd: 2 minuten.

    Het is een bekend verschijnsel: als de verkiezingen naderen komen ministers en staatssecretarissen in een dilemma. Enerzijds worden ze geacht het beleid van het kabinet waarvan ze deel uitmaken te verdedigen. Anderzijds moeten ze zich achter het verkiezingsprogramma van hun partij opstellen. En omdat regeringen in Nederland altijd coalitieregeringen zijn, gaapt er tussen beide vaak een flink gat.

    Een extreem voorbeeld vormde het optreden van Hilbrand Nawijn in 2002. Die was namens de LPF minister voor Vreemdelingenzaken in het Balkenende I. Na de snelle val van dit kabinet pleitte hij in een interview in Nieuwe Revu voor herinvoering van de doodstraf. Dat bracht hem (nog steeds demissionair minister) in een onmogelijke positie, want het kabinet was helemaal niet voor de doodstraf. De situatie van Nawijn was overigens nóg ingewikkelder, omdat ook in het verkiezingsprogramma van de LPF niks stond over het opnieuw invoeren van de doodstraf. Nawijn maakte er maar snel van dat hij een “particuliere mening” had verkondigd. Premier Balkenende en de andere ministers lieten het erbij, hoewel het eigenlijk niet kon. Strikt genomen hebben ministers geen particuliere mening, maar spreken ze altijd namens het kabinet.

    Nu was de uitspraak van Nawijn zeer uitzonderlijk. Maar in elke verkiezingscampagne zeggen ministers wel dingen die strijdig zijn met het kabinetsbeleid, omdat ze zich dan meer gedragen als vertegenwoordiger van hun partij dan als bewindspersoon. Dat wordt doorgaans door de vingers gezien, want wat moet je anders?

    Op dit moment zijn het vooral PvdA-ministers die afwijken van de kabinetslijn, waaruit je kunt afleiden dat het kabinet de afgelopen jaren overwegend VVD-beleid heeft gevoerd. Neem Lodewijk Asscher. Die hielp als vicepremier onvermoeibaar met de uitvoering van het beleid van Rutte II. Maar nu hij PvdA-leider is, verkondigt hij met een stalen gezicht dingen die haaks op dat beleid staan. Zo spreekt hij zich uit voor forse verhogingen van de fiscale toptarieven en het verlagen van de AOW-leeftijd voor “zware” beroepen.

    Maar Asscher is lijsttrekker, dan mag je altijd een beetje meer. De draai van Jeroen Dijsselbloem, minister van Financiën maar ook nummer 3 op de PvdA-lijst, is opmerkelijker.

    Dijsselbloem zei eind november in zijn wekelijkse gesprek op RTLZ dat de vennootschapsbelasting omlaag zou gaan. Dat was een opvallende uitspraak, want in het verkiezingsprogramma van zijn partij staat juist dat “de internationale race naar de bodem van de winstbelasting” moet stoppen. In de PvdA-fractie waren ze dan ook niet blij met de woorden van de bewindsman.

    Maar inmiddels, we zijn een dikke maand verder, zegt Dijsselbloem precies wat ze bij de PvdA graag horen. In een opiniestuk in het AD laat hij weten dat de winstbelasting omhoog moet. Dat is nodig “om het evenwicht tussen gewone Nederlanders en internationale bedrijven, en tussen werkenden en vermogenden, te herstellen”.

    Hier spreekt Dijsselbloem dus met een heel andere mond dan eind november. Het is niet de mond van het kabinet, maar die van de PvdA. Je zou ook kunnen zeggen dat het kabinet niet langer met één mond spreekt, maar wat kan premier Rutte anders doen dan het gelaten accepteren? Misschien kan hij het met zijn VVD-mond nog tegenspreken.