LPF-toestanden bij 50PLUS

    0
    324

    Leestijd: 2 minuten.

    Bij 50PLUS rommelt het weer eens. Het hele partijbestuur, minus de secretaris, is opgestapt omdat men niet langer met elkaar door één deur kon. Eerder werd al bekend dat voorzitter Jan Zoetelief het vertrouwen van de partijtop kwijt is en op de komende ledenvergadering waarschijnlijk vervangen zal worden door oud-VVD-politicus Geert Dales.

    Zoetelief trad een jaar geleden aan met de belofte een einde te maken aan het eeuwige geruzie binnen de partij, maar dat is dus niet echt gelukt. Sterker nog: sinds 50PLUS een jaar of zeven geleden werd opgericht was er eigenlijk voortdurend gedonder. Denk maar eens aan het aftreden en vervolgens weer aantreden van politiek leider Henk Krol en aan het wegsturen van Kamerlid Norbert Klein in de vorige kabinetsperiode.

    Echt verbazingwekkend zijn de elkaar opvolgende conflicten bij 50PLUS niet. Sterker nog: voor een nieuwe partij zijn ze min of meer standaard. Zo ging in de jaren negentig het Algemeen Ouderen Verbond (een ideologische voorloper van 50PLUS) ruziënd en soms zelfs letterlijk vechtend ten onder. Een jaar of tien later kwam Trots op Nederland van Rita Verdonk ondanks aanvankelijk zeer gunstige peilingen niet van de grond door onderlinge haat en nijd. En het kersverse FVD van Thierry Baudet zag zich nog maar heel kort geleden genoodzaakt allerlei leden te royeren omdat ze zich niet wensten te voegen in de partijlijn.

    Tweedracht binnen nieuwe partijen is een zo wijdverbreid verschijnsel dat er op het Binnenhof een vaste term voor bestaat: LPF-toestand. Die naam verwijst naar de partij van wijlen Pim Fortuyn, waar het in haar vrij korte bestaan werkelijk elke dag hommeles was.

    Dat het in nieuwe partijen zo vaak misgaat, komt waarschijnlijk vooral doordat ze een kennelijk onweerstaanbare aantrekkingskracht uitoefenen op avonturiers, dwarsliggers en onruststokers. Die zijn zowel te vinden onder de gewone leden als in de partijtop, niet zelden bestaande uit politici die elders uit onvrede zijn vertrokken of de laan uit werden gestuurd. Maar het komt ook doordat de nieuwe organisaties – in tegenstelling tot al decennia bestaande partijen – meestal niet beschikken over een professioneel kader, dat het klappen van de zweep kent en onmin en gekissebis zonder veel schadelijke publiciteit in goede banen weet te leiden.

    Niet elke partij heeft in haar eerste periode last van LPF-toestanden. In de Partij voor de Dieren viel het mee, in DENK tot dusver ook. Maar de kans dat nieuwkomers meer bezig zijn met intern orde op zaken stellen dan met het nastreven van hun idealen is levensgroot.

    Op papier is er een truc om LPF-toestanden te vermijden, namelijk door van de partij een vereniging te maken met slechts één lid. Dat is de methode die Geert Wilders heeft gekozen voor zijn PVV.

    Toegegeven: de PVV kent geen opstandige partijcongressen die de top terugfluiten, moties van wantrouwen indienen tegen het bestuur en partijvoorzitters tot aftreden dwingen. Nadeel is wel dat het bestuursmodel van deze partij met democratie weinig te maken heeft. En bovendien: wie zou durven beweren dat het bij de PVV altijd pais en vree is?