‘Minister voor’ is deerniswekkende figuur

    1
    331

    Leestijd: 1 minuten.

    Staatssecretaris is een ‘deerniswekkend’ ambt, zei oud-premier Dries van Agt ooit. Een staatssecretaris valt immers onder een minister, dient zijn ontslag aan te bieden als deze aftreedt en mag alleen op uitnodiging het kabinetsberaad bijwonen. Te groot voor het servet, te klein voor het tafellaken, zo zou je de functie kunnen omschrijven.

    De kwalificatie van Van Agt is in essentie ook van toepassing op drie ministers van het nieuwe kabinet. Bruno Bruins (Zorg), Arie Slob (Onderwijs) en Sander Dekker (Justitie en Veiligheid) zijn namelijk niet meer dan veredelde staatssecretarissen. Zij mogen zich dan wel minister noemen en de ministerraad bijwonen, maar ze hebben geen eigen departement en ook geen eigen begroting. Ze zijn geen ‘minister van’, zoals hun directe collega’s Hugo de Jonge, Ingrid van Engelshoven en Ferdinand Grapperhaus, maar slechts ‘minister voor’. Als puntje bij paaltje komt, zijn ze afhankelijk van de goedwillendheid van anderen.

    Je hoeft niet over paranormale gaven te beschikken om te voorspellen dat deze scheve verhoudingen vroeg of laat tot competentiekwesties en dus tot politieke problemen zullen leiden. Op een ministerie kan er maar één de baas zijn, en dat is per definitie niet Bruins, Slob of Dekker. Nogal wat Haagse kenners verwachten dan ook dat Rutte III het laatste kabinet zal zijn dat over zoveel tweederangs ministers beschikt.

    Overigens telt het kabinet eigenlijk vier ‘ministers voor’. Sigrid Kaag, vóór Ontwikkelingssamenwerking en Buitenlandse Handel, is er namelijk ook een. Het verschil is dat Kaag in elk geval wel een eigen begroting heeft. Bovendien is het ministerschap voor Ontwikkelingssamenwerking al sinds decennia een vaste post in vrijwel elk kabinet. Er is dus sprake van een traditie. Bruins, Slob en Dekker hebben hun baantje alleen te danken aan het feit dat anders bij de ministersverdeling het ‘plaatje’ niet zou zijn uitgekomen, omdat de regeringscoalitie uit vier partijen bestaat. In het vorige kabinet zou niemand erover hebben gepiekerd een speciale minister voor Medische Zorg aan te stellen. Of voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media. Alleen al bij het uitspreken van deze titels blijkt hoe belachelijk ze zijn.

    1 REACTIE

    1. Beste Fons,
      Helemaal eens met bovenstaande uitleg.
      Hoe is toch mogelijk dat formerende par-
      tijen zomaar titels voor z.g. nieuwe mini-
      steries mogen verzinnen die er eigenlijk
      helemaal niet zijn. Weer drie mensen erbij
      met een topsalaris. En ik maar denken dat
      Rutte deze keer niet loog, toen hij zei dat
      hij naar een kleinere bestuurlijke overheid
      wil. Maar ja, dat is Rutte op en top. Nieuwe
      omstandigheden; beloftes in de prullenbak.
      Bert.

    Comments are closed.