‘Partij bepaalt praktisch welke personen zetels bezetten’

    0
    98

    Leestijd: 4 minuten.

    Zoals gebruikelijk zal op 12 september ongeveer een kwart van de kiezers zijn stem niet aan de lijsttrekker maar aan een lager geplaatste kandidaat geven. Toch hebben kiezers eigenlijk bar weinig te zeggen over wie hen in de Tweede Kamer gaat vertegenwoordigen. Dat betoogt Nico Baakman, politicoloog bij de Universiteit Maastricht, in een opinie op Frontbencher.nl.

    Door Nico Baakman

    Als het gaat zoals gebruikelijk zal op 12 september ongeveer een kwart van de kiezers zijn stem niet aan de lijsttrekker maar aan een lager geplaatste kandidaat geven. Onder politicologen is echter al decennia bekend dat die voorkeursstemmen nauwelijks invloed hebben op de personele samenstelling van de Kamer: de meeste kandidaten die de drempel – 25% van de kiesdeler – halen zouden door hun plaats op de lijst sowieso wel volksvertegenwoordiger geworden zijn. En dus haalt een voorkeursstem op een hooggeplaatste kandidaat maar weinig uit.

    Toch is het wel degelijk de bedoeling van ons kiesstelsel dat de kiezer uitmaakt wie er in de Kamer komt. En dat roept vragen op: ligt het aan het gedrag van de kiezer of aan het systeem?

    Beginnen we in het stemhokje. Het stembiljet vraagt de kiezer expliciet een voorkeur uit te spreken voor een persoon. Een Kamerlid dat breekt met zijn partij kan zijn zetel namelijk gewoon behouden. Pas bij zijn eventuele opvolging speelt de lijst waarop hij als kandidaat stond weer een rol.

    Een voorkeursstem uitbrengen is dus gewoon doen wat het stelsel vraagt: een persoon kiezen. Zelfs kiezers die op de lijsttrekker stemmen doen dat: zo zit het stembiljet immers in elkaar.

    Wel gaat menigeen er stilzwijgend vanuit dat die kiezers de zaak zouden hebben hebben omgedraaid: zij zouden eigenlijk geen speciale voorkeur voor de lijsttrekker hebben, maar vooral de lijst willen steunen.

     

    ‘Het is praktisch de partij die via de lijst, en dus al voor de verkiezingen, uitmaakt welke personen die zetels mogen gaan bezetten’

     

    Dat motief kan men bij trouwe partijleden wel veronderstellen, maar daarvan zijn er niet zoveel meer en waarom zouden de veel grotere aantallen ongebonden, nu eens zus dan weer zo stemmende, kiezers dezelfde afweging maken? Zij kunnen evengoed juist de persoon Roemer, Rutte of Wilders hun vertrouwen willen schenken en maar weinig ophebben met hun slippendragers. Doch nu komt het.

    De onontkoombare conclusie dat een voorkeurstem op een hooggeplaatste kandidaat weinig verschil maakt omdat die toch wel in de Kamer komt, maakt een voorkeur voor de persoon van de lijsttrekker hebben natuurlijk helemaal ineffectief. Die heeft immers de grootste kans sowieso wel gekozen te zullen worden. En het steunen van een kandidaat die op een lage plaats staat haalt ook niet veel uit, want die krijgt waarschijnlijk toch geen zetel. Dan steunt men uiteindelijk toch een kandidaat die nog hoog genoeg stond om zonder voorkeurstemmen verkozen te kunnen worden.

    Met andere woorden, of een kiezer wel of niet een voorkeur voor een specifieke kandidaat tot uitdrukking wil brengen maakt, of die persoon nu helemaal bovenaan, hoog of laag op de lijst staat, nauwelijks verschil.

    Zo beslissen de kiezers wel over de hoeveelheid zetels die een partij krijgt, maar is het praktisch de partij die via de lijst, en dus al voor de verkiezingen, uitmaakt welke personen die zetels mogen gaan bezetten. Voor een stelsel dat juist van de kiezer vraagt primair een persoon te kiezen is dat een pervers resultaat.

    En ook kan een kandidaat waarvoor zo goed als niemand een voorkeur uitspreekt toch ‘gekozen’ worden. Simpelweg omdat, te beginnen bij de lijsttrekker, het stemmenoverschot, d.w.z. de stemmen die een kandidaat meer heeft dan nodig zijn voor de eigen zetel, naar de volgende op de lijst gaan.

    Een voorbeeld. Bij de vorige verkiezingen kreeg toenmalig lijstrekker Balkenende persoonlijk 947.785 stemmen. De kiesdeler (het aantal stemmen nodig voor een zetel) bedroeg in dat jaar 62.773 zodat hij goed was voor vijftien zetels. Een voor hemzelf en nog veertien stuks voor andere kandidaten. In beginsel hoefden de nummers 2 tot en met 15 van de lijst daardoor zelf geen enkele stem meer te trekken om toch verkozen te kunnen worden.

     

    ‘In 2010 ontbrak het er nog maar aan dat er een volksvertegenwoordiger tussen zat op wie allen zijn moeder gestemd had’

     

    Nog vreemdere effecten treden op als een kandidaat met een stemmenoverschot zijn zetel opgeeft. Toen Balkenende geen premier kon worden en de politiek verliet konden die (tenminste) veertien niet op eigen kracht verkozen kandidaten toch gewoon in de Kamer plaatsnemen. Bruins Slot, die zelf 764 stemmen getrokken had, kreeg de zetel waar de man van bijna een miljoen stemmen voor bedankt had. Van hoeveel kiezers hun voorkeur voor een persoon daarmee genegeerd werd is niet goed na te gaan omdat Balkenende de lijsttrekker was.

    Nemen we daarom nummer 2 van zijn lijst: Maxime Verhagen. Hij haalde 56.106 voorkeurstemmen (bijna de kiesdeler) maar vertrok naar het kabinet. Toen kon Bochove, die persoonlijk de steun van 409 kiezers had gekregen, aanschuiven. Daardoor haalde de voorkeurstem van bijna 56.000 kiezers niets uit. Soortgelijke effecten had het tussentijdse vertrek van Halsema, Rouvoet, en Cohen (uit de politiek), Rutte (naar het kabinet) en nog een handvol anderen.

    Kortom, na de verkiezingen van 2010 liep de Kamer al over van leden op wie maar bitter weinig kiezers gestemd hadden; het ontbrak er nog maar aan dat er een volksvertegenwoordiger tussen zat op wie allen zijn moeder gestemd had. Toen kon men echter nog volhouden dat de Kamerleden gemiddeld nog 62.773 stemmen per persoon getrokken hadden. Doch omdat leden met een groot stemmenoverschot vertrokken en opgevolgd werden door kandidaten met een groot tekort, was binnen de kortste keren zelfs het gemiddelde ver onder de kiesdeler gedaald.

    Kiezers die wat te zeggen willen hebben over wie hen in de Kamer gaat vertegenwoordigen moeten daarom op zoek naar een partij die het kiesstelsel wil hervormen.

    Nico Baakman is politicoloog en verbonden aan de Universiteit Maastricht. Hij dankt Manisha Kalikadien voor de verleende assistentie.