Nu weer normaal doen

    0
    302

    Leestijd: 4 minuten.

    Het feestje van de democratie is voorbij. Slingers, toeters, fopneuzen liggen weer in de kast. De katers zijn weg geslapen en uitgezweet, behalve voor de PvdA natuurlijk die weer op zoek moet naar de juiste traumatherapie. De Jessias heet weer Jesse en Wilders heeft gewonnen en toch verloren.  Kortom, we kunnen eindelijk weer normaal doen. Zonder punt achter elk woord.  

    Dat betekent in deze fase van de politieke cyclus formeren. Dat gaat lang duren, zegt iedereen, al is het maar om niet de fout van Samsom en Rutte van vijf jaar geleden te maken. Huiden moeten duur worden verkocht en luchtkastelen zo geruisloos mogelijk gesloopt.

    Verkiezingsprogramma’s kunnen de la in, inclusief de schijn-soliditeit van de doorberekeningen van het Centraal Planbureau, om bij de volgende Kamerverkiezingen afgestoft en geactualiseerd als nieuw weer in de aanbieding te worden gedaan.

    Het zou mooi zijn als we mogen hopen op een regeerakkoord in hoofdlijnen. Niet alles op voorhand dichttimmeren, tot achter de komma regelen en vacuüm zuigen. Nee, als kabinet bescheiden je voornemens presenteren in de wetenschap dat het al heel mooi zou zijn als er de helft van terecht komt. Politiek is maar tot op zekere hoogte plannen. Het is even zo vaak improviseren, reageren op onvoorziene ontwikkelingen en gebeurtenissen en dan god zegen de greep.

    Belangrijke, vaak ontwrichtende (economische) ontwikkelingen en trends hebben hun oorsprong in het buitenland en kunnen hooguit enigszins worden bijgestuurd, zelden richting ideale oplossing worden geleid. Globalisering laat zich niet vanuit het Torentje regelen. Zie de financiële, euro- en vluchtelingencrises.

    Er zijn uiteraard beleidsterreinen waarop je als nationale staat wel meer dan een vluchtige invloed hebt en de politiek haar competentie kan bewijzen. Je kunt als minister van Financiën in dit land zelfs populair worden als je de begroting op orde weet te brengen/houden. Dat wordt gezien als het bewijs van je persoonlijke degelijkheid en betrouwbaarheid, eigenschappen die de collega’s op andere departementen meestal niet worden toegedicht. Wie goed op de centen past, deugt kennelijk per definitie, ook al komen de voorschriften tegenwoordig uit Brussel.

    Die altijd relatieve autonomie geldt ook voor het onderwijs, justitie, binnenlandse zaken, gezondheidszorg, volkshuisvesting en andere bestuursdepartementen. Daar kunnen we de polder ongeveer inrichten zoals we zelf willen en dat kun je dus ook redelijk goed regelen in een coalitieakkoord.

    Op andere gebieden, buitenlandse zaken, milieu, handel en defensie ligt dat al een stuk lastiger. Daar opereren we in een netwerk van internationale afspraken en verplichtingen, NATO, EU, milieu- en handelsverdragen. Dat beperkt de handelingsvrijheid en knelt soms, maar door de bank genomen valt er prima mee te leven. Behalve uiteraard voor Wilders en de andere uitbaters van het volkse onbehagen.

    Partijen zullen vanwege gevoeligheden op deze terreinen niet gauw een regeerakkoord opblazen. De laatste keer dat het gebeurde was ruim 30 jaar geleden toen de PvdA zich op sleeptouw liet nemen door de vredesbeweging, zich tot afgrijzen van Den Uyl en andere kopstukken isoleerde in de kruisrakettenkwestie en zich vervolgens bij de formatie buiten spel liet zetten. Dat wordt nog steeds gezien als een leerstuk “hoe het niet moet”.

    Van een totaal andere orde zijn de ontwrichtende technologische ontwikkelingen. Daar stuit het richtinggevende vermogen van de politiek op zijn grenzen. Sinds het begin van de moderne politiek die niet voor niets samenvalt met de Industriële Revolutie,  proberen bestuurders de maatschappelijke gevolgen van industrialisering en innovatie in goede banen te leiden. Dat begon met de stoommachine en is nu aangekomen bij de zelfdenkende robot en dat is met zekerheid niet het eindpunt. We schijnen nu in de vijfde industriële revolutie te zijn beland en volgens deskundigen zullen er nog wel een paar volgen. Vraag niemand hoe die er precies uit gaan zien.

    Wat er in laboratoria, werkplaatsen en garages geknutseld en geëxperimenteerd wordt, onttrekt zich aan het gezichtsveld van de meeste politici en bestuurders. Dat Steve Jobs met de smartphone de grote digitale revolutie inluidde, kon je niet weten als beleidsambtenaar op Economische Zaken, al heb je 100 jaar innovatie in je portefeuille.

    Het is al heel wat dat de politiek bij al deze stroomversnellingen het roer niet helemaal uit de hand is geslagen. Het ging natuurlijk wel een paar keer goed mis, het idee dat je die ontwikkelingen en processen kon plannen en beheersen (communisme) bijvoorbeeld, maar over het algemeen hebben democratische politici in het Westen de zaak redelijk bij elkaar weten te houden en grote sociale conflicten kunnen kanaliseren. De verzorgingsstaat is daarvan het pronkstuk, met dank aan vooral de sociaaldemocratie. De grote uitdaging is nu om de verzorgingsstaat zo te moderniseren dat ze wat de econoom Schumpeter de storm van creatieve destructie noemde, kan doorstaan. Dat zal een klus van georganiseerde improvisatie worden.

    Hoe dat in de praktijk gaat uitpakken, geen idee. We hebben geen flauw benul van wat er nog op ons af zal komen. We kunnen alleen bevroeden dat het steeds sneller en steeds ingrijpender zal worden. Bakens zijn er eigenlijk niet, de scenario’s zijn zo speculatief dat ze niet meer dan een hint zijn.

    Dat kun je als politiek alleen maar signaleren, ook of met name in een regeerakkoord. En je moet vooral niet de illusie hebben dat je er greep op hebt en kunt regelen in een pak papier met voornemens.