Partijfusies zijn in Nederland niks bijzonders

    1
    319

    Leestijd: 3 minuten.

    De afgelopen dagen was er nogal wat te doen over een mogelijk samengaan van PvdA en GroenLinks. Die twee partijen hebben op veel terreinen gelijkluidende opvattingen en zouden er volgens sommigen electoraal verstandig aan doen de krachten te bundelen. Zelden wordt daarbij vermeld dat ze zelf ook allebei uit een fusie zijn voortgekomen. Dat laatste geldt trouwens eveneens voor VVD, CDA en ChristenUnie. Partijfusies zijn, kortom, niks bijzonders in de Nederlandse politiek. Of het na zo’n samenvoeging per definitie beter gaat, is een heel andere vraag.

    De oudste Nederlandse fusiepartij is de PvdA. Zij ontstond in 1946, toen de sociaaldemocratische SDAP, de liberale Vrijzinnig Democratische Bond (VDB) en de progressief-christelijke Christelijk-Democratische Unie de handen ineensloegen. De oprichters van de PvdA waren bezield van de ‘doorbraakgedachte’. Zij wilden een einde maken aan de vooroorlogse verzuiling door een partij in het leven te roepen zonder de traditionele schotten en scheidslijnen.

    Daar is, mogen we gerust stellen, helemaal niets van terechtgekomen. De PvdA bleek vooral een voortzetting van de vooroorlogse SDAP, al had ze zich dan van sommige socialistische dogma’s weten te bevrijden.

    De eerste Kamerverkiezing waaraan zij deelnam betekende voor de PvdA een teleurstelling. De nieuwe partij kreeg (in 1946) 29 zetels. Dat waren er 2 minder dan haar drie fusiepartners voor de oorlog hadden bezeten. Overigens dient hierbij aangetekend dat de Tweede Kamer tot 1956 slechts 100 zetels telde. Om de huidige verhoudingen te weerspiegelen moet de verkiezingsuitslag dus met anderhalf worden vermenigvuldigd. De resultaat komt dan neer op zo’n 43 zetels. Met dit aantal zou de PvdA vandaag de dag ongetwijfeld een gat in de lucht springen, want ze heeft er nu maar 9.

    De VVD kwam tot stand in 1948. Zij vormde een fusie van voormalige leden van de VDB, die ontevreden waren over de overgang naar de PvdA, en de Partij ván (en dus niet vóór) de Vrijheid, een voortzetting van de vooroorlogse Liberale Staatspartij. Bij haar eerste verkiezingen in 1948 kreeg de VVD 8 zetels (van de 100). Dat zouden er in de tegenwoordige omstandigheden dus 12 zijn.

    Niet veel, zeker niet als je dat aantal afzet tegen de 33 zetels die de liberalen in 2017 wisten binnen te halen. 33 zijn er trouwens ook aanzienlijk meer dan de 10 (vertaald in cijfers van vandaag 15) waarover de twee liberale partijen voor de oorlog hadden beschikt.

    Maar het zou niet terecht zijn om nu te concluderen dat de VVD profijt heeft gehad van haar ontstaan uit een fusie. De partij begon immers pas echt te groeien in de jaren zeventig, toen Hans Wiegel lijsttrekker was. En pas onder Mark Rutte eindigde zij in 2010 als de nummer 1.

    Het CDA dateert officieel uit 1980, maar al in 1977 namen de fusiepartners KVP (katholiek), ARP en CHU (allebei protestants-christelijk) onder deze naam aan Kamerverkiezingen deel. Ze haalden toen samen 49 zetels, 1 meer dan ze afzonderlijk hadden bezeten. Hun fusie zou je dus als een klein succesje kunnen beschouwen. In elk geval was de zich al meer dan een decennium aftekenende neergang van de confessionele partijen gestopt.

    In de jaren tachtig deed het CDA het nog beter. Onder lijsttrekker Ruud Lubbers wisten de christendemocraten 54 Kamerzetels te boeken. Van een dergelijk aantal zullen ze heden ten dage zelfs niet meer durven te dromen. Ze hebben nu immers slechts 19 zetels en staan in de meeste polls op fors verlies.

    De oprichting van GroenLinks vond plaats in 1990 door een samengaan van de communistische CPN, de pacifistische PSP, de christelijk-radicale PPR en de links-christelijke EVP. Maar al een jaar eerder deden deze partijen als GroenLinks mee aan Kamerverkiezingen. De gezamenlijke lijst haalde 6 zetels, tweemaal zoveel als zijn fusiepartners er eerder hadden gehad. Ook GroenLinks zou je dus een succes kunnen noemen, zeker als je het huidige aantal van 14 zetels erbij noemt. Overigens had GroenLinks in de vorige regeerperiode maar 4 zetels, dus de ontwikkeling van de partij is nogal grillig.

    Tenslotte de ChristenUnie. Die zag het levenslicht in het jaar 2000, toen de streng-protestantse GPV en de al even streng-evangelische RPF besloten het samen te gaan doen. Bij haar eerste verkiezingen, in 2002, verwierf de nieuwe partij 4 zetels. Dat was er 1 minder dan waarop GPV en RPF samen hadden kunnen bogen. Inmiddels heeft de ChristenUnie er weer 5 en staat ze in de peilingen op 6 zetels of zelfs ietsje meer, dus er is hoop.

    Wat kan nu de conclusie zijn uit het bovenstaande? Eigenlijk valt er geen conclusie te trekken. Een partijfusie kan succes hebben. Dat succes kan tijdelijk zijn. En het kan ook pas opduiken als iedereen al lang is vergeten dat het om een fusiepartij gaat.

    1 REACTIE

    1. Hoe we het ook bekijken het doel van fuseren is er gewoon beter van worden. Meer zetels dus en dan ergens heel ver weg heeft het ook iets te maken met landsbelang en zo. Zieltjes winnen is de eerste en belangrijkste reden. Samen werken, samen de strijd aan gaan en nog meer van dat moois. Eerst zien dan geloven. In mijn visie is de nood nog niet zo zo hoog dat de drie linkse vrinden met elkaar het spelletje over eigen schaduw heen springen gaan spelen.

    Comments are closed.