Partijgenoot als grootste vijand

    0
    422

    Leestijd: 4 minuten.

    Diederik Samsom heeft het gemerkt, Theresa May merkt het elke dag en Martin Schulz heeft het nu ook aan den lijve ondervonden. Niet je politieke tegenstanders maar de eigen partijvrienden zijn je grootste vijand.

    Dit zijn een paar recente voorbeelden, uit de losse pols, maar ze kunnen aangevuld worden tot een legioen. Veel, zo niet de meeste partijleiders zijn in de loop der tijden in de interne partijstrijd gesneefd. Meest gebruikte wapen: het mes, meest getroffen plek: tussen de schouderbladen.

    Elke politieke carriere eindigt in tranen, meldde de Engelse conservatieve politicus Enoch Powell 50 jaar geleden al. Hij wist waarover hij het had. Ooit veelbelovend en uiteindelijk gefnuikt door een racistische rede waarin hij rivieren van bloed door de Britse straten zag stromen

    Het is een gevaar dat elke politicus ongetwijfeld kent en toch: elke keer worden ze er weer door verrast.

    De enige manier om eraan te ontsnappen is ze voor te zijn. Opstappen voor de messen geslepen worden. Er is zijn weinig politici die het juiste moment onderkennen, weten dat het erop zit en dat het krediet is opgebruikt.

    De meeste staatslieden lijden aan het onmisbaarheidssyndroom, het waandidee dat ‘men’, het land, de partij, soms zelfs de wereld, niet zonder ze kan. Kijk naar Helmut Kohl, Margaret Thatcher, zo ingekapseld in hun eigen onmisbaarheidswaan dat ze het signaal ‘het is mooi geweest, nu weg wezen’ negeerden. Kohl werd tenslotte ten val gebracht door zijn protege, Angela Merkel.

    Van de grote democratieën hebben de VS dit probleem goed weten op te lossen. Na twee termijnen ruimt een president het veld.

    In de meeste andere landen organiseren de partijvrienden vaak met hun eigen ambities het vertrek. En als het niet goedschiks kan, dan maar kwaadschiks. Een feestelijke bijeenkomst met toespraken vol dank voor de bewezen diensten en zo niet, de afgang door de zijdeur vaak richting het zwarte gat vol verbittering en rancune. Soms hebben ze geluk en volgt er een rehabilitatie, helaas toch meestal postuum.

    Angela Merkel zou volgens insiders overwogen hebben zich niet meer voor de laatste Bondsdagverkiezingen beschikbaar te stellen. Na 12 jaar Kanzleramt met een forse dosis crises, euro, Griekenland, Krim, vluchtelingen, was het mooi geweest. Slijtage, de dreigende machtserosie, de behoefte aan een nieuw gezicht, ze zou de signalen hebben gezien.

    En toen kwam Donald Trump. Een ongeleid projectiel die grote ravage dreigde aan te richten. Alsof het Westen zijn handen nog niet vol genoeg had aan Vladimir Poetin.

    Merkel was de enige politicus in het Westen met genoeg statuur en ervaring om een minimum aan stabiliteit veilig te stellen. De Franse president Emmanuel Macron kan zich ontwikkelen tot een staatsman, maar hij moet het nog wel laten zien. De Britten zinken weg in een chaos van eigen makelij, de Brexit en de andere westerse landen zijn te klein en zwak om de grote jongens partij te kunnen bieden. Conclusie: het pensioen moest nog even wachten.

    Dat haar instinct juist was, bleek bij de verkiezingen in september. Ze behaalde het slechtste resultaat voor haar partij, de christendemocratische CDU/CSU, sinds het herstel van de democratie in 1949. Ze kan voor de vierde keer kanselier worden omdat de andere grote partij, de sociaaldemocratische SPD, het nog beroerder deed. Maar er wordt stevig gemord in de partij. Zoveel kritiek heeft ze nog nooit moeten incasseren en ze is niet langer onaantastbaar. Dat trekt wel weer bij, zodra ze gaat regeren, maar Merkel weet dat het aftellen is begonnen. Ze moet nu met voorrang haar opvolging regelen.

    Haar tegenstander bij de verkiezingen, SPD-leider Martin Schulz, is inmiddels al van het toneel gejaagd. Door zijn eigen partijgenoten. Hij is geen partijleider meer, mag geen minister van buitenlandse zaken worden en moet nu maar hopen dat ergens een baantje voor hem wordt gevonden.

    Schulz heeft deze afgang voornamelijk aan zichzelf te wijten. Hij voerde om te beginnen een zwakke campagne. Na de nederlaag verklaren dat de SPD niet met Merkel gaat regeren en dat toch doen. Roepen dat hij onder geen beding minister onder Merkel zou worden en dat toch willen. Dat sloopt je geloofwaardigheid.

    Om te voorkomen dat zijn aanblijven de toch al miese sfeer in de partij zo zou verzieken dat de leden tegen het regeerakkoord met Merkel zouden stemmen (ze hebben het laatste woord), besloot de partijtop dat hij moest vertrekken. Hij mocht nog net de eer aan zichzelf houden, al wist iedereen hoe het echt zat. Dat de partijleiding een stevig pak  boter op haar hoofd heeft, Schulz deed het echt niet allemaal in zijn eentje, hoort bij de gang van zaken.

    Is zo’n afgang tragisch? Dat ligt er aan. Als je moet opstappen wegens een eigenlijk onbeduidende misstap of een uitzonderlijk smerige intrige, dan is het antwoord: ja.. Maar verder? Het afbreukrisico in de politiek is groot, dat weet iedereen die daarvoor kiest. Je kan alleen hopen op een minimum aan fatsoen bij je partijvrinden als ze om welke reden dan ook vinden dat je positie onhoudbaar is. Dat pek en veren in de schuur blijven. Alleen, reken er niet op.