Wil de PvdA echt de vierde oppositiepartij worden?

    0
    357

    Leestijd: 2 minuten.

    Nu de formatie in een impasse is terechtgekomen wordt de positie van de PvdA weer interessant. De partij zou kenbaar kunnen maken dat ze wil meepraten met VVD, CDA en D66 over de vorming van een kabinet. Het lot van de ChristenUnie zou in dat geval vermoedelijk snel bezegeld zijn. D66 staat immers bepaald niet te popelen om te regeren met deze mannenbroeders. Bovendien hebben de sociaaldemocraten – hoezeer ook gemarginaliseerd bij de Kamerverkiezingen – nog altijd bijna tweemaal zoveel zetels in de aanbieding als Gert-Jan Segers en zijn Bijbelvaste clubje. En daar komt bij dat menige VVD’er veel liever in zee gaat met de PvdA, want dan weet je tenminste wat je krijgt: een partij met decennia bestuurservaring en met tal van door de wol geverfde ministerskandidaten. Liberale prominenten als Halbe Zijlstra, Hans Wiegel en Frits Korthals Altes hebben wat dat betreft van hun hart geen moordkuil gemaakt, en zij zijn vast niet de enigen.

    Maar er is een probleem: de PvdA wil helemaal niet regeren. Althans, dat zegt fractieleider Lodewijk Asscher met heel veel nadruk. Het zou natuurlijk kunnen dat hij een ultieme voorstelling van het toneelstukje ‘hard to get’ ten beste geeft. Het lijkt er echter eerder op dat Asscher gewoon niet durft. Mijn partij, zo luidt zijn redenering, heeft zoveel verloren bij de verkiezingen dat we het gewoon niet kunnen maken weer op het pluche plaats te nemen. De PvdA-achterban zou daar geen enkel begrip voor opbrengen. Als we nu in een kabinet stappen, worden we bij de volgende verkiezingen opnieuw vreselijk afgestraft.

    Maar Asscher zou er ook anders tegenaan kunnen kijken. Zijn partij heeft nog slechts 9 zetels. Dat moet voor haar wel zo’n beetje de ondergrens zijn. Zou ze er straks nog meer verliezen, dan wordt het sowieso tijd voor een opheffingscongres. En dat is niet het enige argument. Als de PvdA gaat meepraten in de kabinetsformatie is haar onderhandelingspositie buitengewoon sterk. Zeker als ze eerst nog even wacht tot een coalitie met de ChristenUnie ook onhaalbaar is gebleken. Op dat moment staat immers vast dat de partij de enig mogelijke kandidaat is om het motorblok van VVD, CDA en D66 aan een meerderheid te helpen. De PvdA zou dan dus eisen kunnen stellen. Eisen waar de andere drie heel moeilijk “nee” tegen kunnen zeggen.

    Het alternatief is vier jaar (of zo lang als de volgende regeerperiode duurt) in de oppositie. Niet als eerste, tweede, of derde oppositiefractie, maar als nummer vier: achter PVV, GroenLinks en SP. Veel succes, zou ik willen zeggen.

    Mocht Asscher voor deze rol kiezen, dan is het wel duidelijk wat er gaat gebeuren. Zijn partij zal in debatten bitter weinig in de melk te brokkelen hebben. En de werksfeer zal er ook niet prettiger op worden. Zal bijvoorbeeld Jeroen Dijsselbloem, die voor hij minister van Financiën werd al een eeuwigheid in de Kamer heeft gezeten, nog voldoende animo kunnen opbrengen voor wéér vier jaar? En hoe zit dat met Sharon Dijksma? Zal Asscher het zelf trouwens wel zo prettig vinden om van vicepremier te degraderen naar derde oppositieleider op links?

    Misschien moet de PvdA-top nog eens heel goed nadenken voor ze voor het muurbloempjesscenario kiest. Meeregeren, al is het dan als kleinste coalitiepartner, zou wel eens meer voordelen kunnen hebben dan wegkwijnen in de oppositiebankjes. Ongetwijfeld zal er in de PvdA-achterban een luid gemor opstijgen als Asscher besluit toch in de Stadhouderskamer plaats te nemen. Maar is er ooit een periode in de partijgeschiedenis geweest waarin de achterban niet ontevreden was?